De Koorzangers Vrouwenhandel, drugstransport en gedwongen prostitutie behoren niet tot het vocabulaire van Gerard Dekker, een brave docent in het middelbaar beroepsonderwijs. Voor zijn ontspanning zingt hij in een koor, zoals veel van zijn collega’s en vrienden. Het koorleven biedt hem een welkome afleiding van de probleemjongeren waar hij overdag mee te maken heeft. Maar met de komst van een jonge sopraan verdwijnt de ontspanning algauw, als blijkt dat zijn lastige pupil Pita haar gewetenloze loverboy is. Lees verder...
We gaan richting Sinterklaas en daarna richting Kerstmis. Mijn wens is helder. Ik wens dat mijn tweede boek er komt. En het maakt me niet uit of de Sint mijn wens vervult of de Kerstman…áls hij maar vervuld wordt. Een uitgever voor mijn tweede roman, dat is waar het om gaat. De paradox wil dat mij nog steeds complimenten bereiken over eersteling ‘Het Zwanenwater’. En intussen is het zoeken naar een uitgever voor de opvolger die ik op de plank heb liggen. Mijn vrouw drukte me onlangs deze mail in handen die ze had gekregen van een collega:
“Hoi Ria,
Omdat ik mijn eigen boekenkast uitgelezen had ben ik deze week lid geworden van de bibliotheek in Alkmaar. Ik zocht naar een boek van Guus Kuijer. Toen mijn ogen langs de rekken gleden zag ik de naam Kees Kager staan. De naam kwam me bekend voor dus ik pakte het boek. Ik heb het boek meegenomen en expres niet gelijk gemaild dat ik een boek van jouw man ging lezen omdat ik het misschien wel helemaal niks vond maar…. ik heb genoten! Ik vond het een echt jongensboek. Vol spanning, sex, nuchterheid, klussen, vriendschap, niet al te ingewikkeld enz. Ik vond het daarnaast heel leuk om allemaal bekende plaatsen en regionale kranten tegen te komen. Soms betrapte ik mezelf dat ik jou voor me zag wanneer het om Marjolein ging (onzin natuurlijk). Ik hoop dat het tweede boek in de herfstvakantie af is gekomen, want ik ben erg benieuwd! Groetjes, Jaap.”
Met het manuscript voor mijn tweede kan ik uiteraard terecht bij mijn ‘oude’ uitgever: Gopher Publishers. Ik probeer echter een uitgever te vinden die wat meer voor me kan betekenen op het vlak van verkoop en publiciteit. Want het is niet aan de schrijver om zijn boek uit te venten. Dat kunnen uitgeverijen veel beter. Een schrijver moet schrijven. Na verschijning van mijn debuut ‘Het Zwanenwater’ ben ik anderhalf jaar in de weer geweest als vertegenwoordiger van mijn eigen boek. Dit nu zie ik bij de tweede graag anders. Vandaar mijn wens.
Een zonovergoten zaterdagmorgen. Op Groenoord staan maar liefst zestien wedstrijden op het grote bord: 6x F, 5x E, 2x D, 2x C. Alles jeugd en dan nog 1x Za Senioren. Mijn zoon meldt zich bij de bestuursdienst voor zijn optreden als scheidsrechter. Alle C-junioren komen eens per maand aan de beurt om een wedstrijd bij de kleintjes te fluiten. Een fantastisch initiatief.
Voorvalletje. Bij een wedstrijd tussen twee E-teams krijgt een joch een stevige oplawaai. Hij huilt om zijn zere knie. “Gaat ‘t?” vraagt de leider. “Ik schop ‘m straks voor zijn bast” roept het ventje. Van die gedachte gaat kennelijk zo’n helende werking uit, dat hij meteen weer de wei inhuppelt.
Op het plein voor het bord kom ik familie tegen. Nou is SRC één grote familie, maar in dit geval bedoel ik een vrucht van de Kager-stam. Broer Henk loopt zichtbaar gelukkig te wezen. Dat kan gauw als je in de VUT zit, maar dat is nu niet de reden. Rondom ons krioelt het van de kinderen in allerlei clubkleuren en moeders, leiders en opa’s en oma’s. Henk is van de kantine en hij is zo blij want hij heeft zojuist twee meiden van de GSG ingewerkt. Zij gaan zes weken kantinedienst draaien als maatschappelijke stage. Goed bezig, broertje!
Voorvalletje. Op het B-veld bij de E7 van SRC zie ik twee jongetjes tijdens de wedstrijd doen wie de mooiste handstand kan maken. Het spel is bij het andere doel en zij vinden handstand net zo leuk als voetbal.
Henk is nog meer blij. De partijtjes zijn nu zo mooi gespreid over de dag. In de rust is er tijd voor koffie. Tussen de wedstrijden ook ruim tijd voor een kantinebezoek. Toen SRC met een veldentekort zat werd er niet gerust en het schema zat stikvol. Belangrijk? Ja, want het gaat om inkomsten voor SRC. Per jeugdwedstrijd komen er al gauw 20 volwassenen kijken. Allen in de rust de kantine in: 20 bakken koffie. En dat vermenigvuldigen met minimaal 10 wedstrijden. Tappen meiden!
Voorvalletje. Een ploegje F-jes van Succes passeert op weg van de kleedkamer naar het B-veld de speeltoestellen. Hoewel…, passeren? Ze blijven er wippen en schommelen. De robuuste coach uit Hippolytushoef roept bars: “Jullie zijn toch geen kleuters?! Kom op, we komen om te voetballen.”
Timon fluit op het kunstgras SRC E3 tegen JVC E3. Het is zijn tweede keer. Net als de andere C-junioren was hij bij zijn debuut als scheids pittig zenuwachtig. Binnen zijn team vonden ze het allemaal spannend. Fluiten is heel wat anders dan voetballen. Wat kan een arbiter allemaal naar zijn hoofd geslingerd krijgen? Niet van de kleintjes die enthousiast achter de bal aanrennen. Maar van ouders en begeleiders en ander gespuis. Timon hoopt dat hij nooit een wedstrijdje met FC Helder als tegenstander moet fluiten. Dat is een club met een reputatie.
Voorvalletje. Leider van FC Helder:
“Zeg scheids, gaan we thuisfluiten? Wil je dat ik effe het veld inkom?”
Hij fietste het terras achter het huis op en smeet zijn opoefiets tegen de muur. Het regende buiten. We zaten met koffie en kranten bij de keukentafel. Door de tuindeuren zagen we dat het gezicht van de C-junior op storm stond. Kwam het door het rotweer of door de wedstrijd?
“Ojee, verloren” veronderstelde ik.
“Ach, wat geeft het? Als hij maar lekker gespeeld heeft” vond mijn gade.
Ik keek haar aan. Zij is van de volleybal. Misschien is bij volleybal meedoen belangrijker dan winnen. We hoorden bij de achterdeur een tas neerploffen. Twee seconden later denderde de prepuber de keuken binnen.
“Timon, je tas…” herinnerde zijn moeder hem aan een afspraak.
“Wat!?” zei hij geïrriteerd.
“Je zou je tas met de voetbalwas voortaan zelf meteen leeghalen. Straks mag ik het weer doen. Ik ben je sloof niet!”
“Jezus man.”
“Nou, wacht nou eventjes” nam zijn vader het voor hem op. “Laat hem eerst even vertellen. Hoe was het, Timpie?”
“O, mannen!” riep zijn moeder. “Wat zijn jullie erg.” Ze liep naar achteren, zodat vader & zoon aan de analyse konden beginnen.
“Ik vind het zo niet meer leuk hoor, pap” barstte het talent los. “Ik moet als middenvelder overal tegelijk wezen. Maar de tegenstander is altijd met meer en meestal zijn ze ook groter dan wij. En als ik soms even stop om uit te hijgen dan roepen ze vanaf de kant: Hé Kager, zet eens een tandje bij!”
“Kritiek, daar moet je boven staan. Je krijgt in je leven nog veel meer op je donder. Wen er maar aan!”
“Tegen Mark zeuren ze nooit” bracht hij verongelijkt naar voren.
“Waarom niet? Doet hij alles goed?”
“Welnee. Maar hij is superklein en beweeglijk en dat oogt leuk en altijd fanatiek.”
“Ja, zo gezien is jouw lengtevoordeel een nadeel. Het oogt trager wat jij doet en als je dan door de overmacht de bal verliest denken ze meteen dat je er geen zak aan doet.”
“Maar dat is niet zo. Dat moeten de leiders toch zien!” Hij keek zijn vader niet begrijpend aan. “Ze hebben toch zelf ook gevoetbald… heel vroeger?” voegde hij er met een lachje aan toe.
“Tiem joh, laat ze zeiken. Je zegt het zelf al: het oogt zo. Jij blijft altijd rustig. Je bent geen explosieve voetballer. Er is een mooi woord voor: flegmatiek. Je bent zo op het oog onverstoorbaar. Dat wekt de indruk alsof het je allemaal niks doet.”
“Mooi klote.”
“Het is de klassieke valkuil waar drukke baasjes langs de lijn altijd weer indonderen. Ze zien een koele buitenkant en weten niet dat van binnen het bloed kokend door de aderen giert.”
“Nou, zo erg is het ook weer niet.”
Nu keek de vader op zijn beurt niet begrijpend naar de zoon. Met de wenkbrauwen omhoog zei hij:
“Laat het relativeren nou maar aan mij over. En schiet er af en toe eens eentje van 20 meter in het kruis. Dan hoor je ze niet meer, hoor. Met prestaties snoer je de critici de mond. Dat is nog altijd zo geweest.”