De jaren gaan snel, heel snel. Ik weet het. Je wordt een ouwe lul, als je het gaat roepen. Maar er schuilt ontegenzeggelijk waarheid in het cliché. De jaren gaan snel en dat ervaar ik nog niet eens zozeer aan den lijve. Ik ervaar het meer in de portemonnee. Kinderen zijn hinderen en na de zoveelste groeispurt moet opnieuw de garderobe vervangen worden. Timon vindt winkelen niet leuk. Mijn vrouw kan bijna niet wachten. Afgelopen weekend ging hij voor de bijl. Hij moest ’s morgens in Den Helder voetballen. Dan kon hij daarna met zijn moeder mooi de stad in. Vond zij. Hij vond van niet. Leuk bij de H&M kijken. Vond zij. Hij vond van niet.
Bij wijze van spreken deed ik Timon gisteren nog in bad. (“Kom maar boef. Zoooo, de vieze luier af. Lekker warm water, hè?”) En nu is hij bijna even groot als zijn vader en duwt hij me aan de kant. (“Ga eens opzij, Keesje. Oude mensen staan ook altijd in de weg.”) Ik kan hem nog aan, maar het zal niet lang meer duren. Vanwaar de mijmering?
Van de week had ik een lezing voor een vrouwenclub in de bovenzaal van Café Piet Pann. Het ging natuurlijk over de schrijverij in het algemeen en over Het Zwanenwater in het bijzonder. Het houdt maar niet op. Een deel van het publiek kende het boek, een ander deel schafte het ter plekke aan. De stemming was geanimeerd, de avond verliep heel ontspannen. Op enig moment vroeg een dame of ik nog columns schreef nu ik eenmaal aan het grote werk had geroken. Ik pakte uit over het jeugdvoetbal bij SRC en over mijn vaste bijdrage voor de Facet. Ik heb gezegd dat ‘Groen als Gras’ eigenlijk zichzelf schrijft. Hoezo dan?
Ik herinnerde me dat ik ooit met Timon thuiskwam van de voetbal. Hij zat nog bij de F-pupillen. Ik had me als coach behoorlijk geërgerd aan de flegmatieke houding van mijn zoon. Wat er bij mij als voetballer vanaf spatte, daar was bij hem van buiten niks van te zien: fanatisme dus. Hij liet zich regelmatig de kaas van het brood eten. Ik parkeerde de auto op het pad en riep kortaf naar achteren: “Oké, uitstappen en wat vlotter dan je gewend bent graag.” Al wie uitstapte, geen Timon. Toen ik ging kijken, hing hij op de achterbank over zijn sporttas heen. Hij zat naar een lieveheersbeestje te kijken en stelde voor om het voorzichtig op te pakken en in de tuin te zetten. In de Facet schreef ik toen dat hij zo ook voetbalde. Veel te lief!
De jaren gaan snel. Inmiddels zit dezelfde bink op de grens van D- naar C-jeugd. Hij kwam laatst terug van voetbal met een schaafplek en een enorme bloeduitstorting op zijn bovenbeen. Het was een ruige pot geweest. “Maar ik heb die goser keihard teruggepakt, pap” zei hij stoer. Oog om oog, tand om tand. Ik vond het geweldig, maar wist niet of ik deze ontwikkeling openlijk mocht toejuichen. Eén ding wist ik wel. Er zat een stukje in.
De Koorzangers Vrouwenhandel, drugstransport en gedwongen prostitutie behoren niet tot het vocabulaire van Gerard Dekker, een brave docent in het middelbaar beroepsonderwijs. Voor zijn ontspanning zingt hij in een koor, zoals veel van zijn collega’s en vrienden. Het koorleven biedt hem een welkome afleiding van de probleemjongeren waar hij overdag mee te maken heeft. Maar met de komst van een jonge sopraan verdwijnt de ontspanning algauw, als blijkt dat zijn lastige pupil Pita haar gewetenloze loverboy is. Lees verder...
Opnieuw lekker uit bij AZ. In de krokusvakantie was ik op sportpark ’t Lood waar SRC C1 oefende tegen AZ D1. Het werd 1-1. Een remise die als een zege mee naar Schagen werd genomen. En zo vlak voor Pasen was ik weer bij AZ. Ditmaal op excursie in het DSB-stadion. Op ’t Lood was ik als vader van een jeugdspeler en mocht ik nergens naar binnen. Buiten in de koude wind staan, ja. Dat mocht. Naar ‘het DSB’ kwam ik als leraar van een groep jongeren en ik mocht (bijna) overal in. En wat een warm onthaal door mevrouw Wagemaker. Die een iets te kleine broek droeg waardoor ze er beslist sexy uitzag maar ook gedwongen was een slingerbeweging met haar benen te maken omdat het in haar kruis een beetje schuurde. Maar och, de beperkte mens is toch veel boeiender dan de perfecte mens?
De excursie begon bij de AZ-winkel, ook wel Fancentrum genoemd. Zoon Timon wilde ooit een dekbed en een broodtrommel van Ajax. Hier bij AZ ontdekte ik dat het assortiment in de clubwinkels sindsdien spectaculair is toegenomen. Behalve de kledinglijn zag ik spaarpotten, toiletartikelen, laptoptassen, stropdassen, glazen, babysokken tot rolletjes behangrand met AZ-logo aan toe. We gingen naar de filmzaal. Louis van Gaal nam ons als het ware mee naar de ruimtes die niet toegankelijk zijn. Hij legde uit dat hij de privacy van de spelers wilde waarborgen. Hij was trots dat zijn selectie al om 9.00 uur binnenloopt in het spelershome, terwijl de training pas om 10.30 uur begint. Het zegt iets over het gevoel, over de huiselijkheid. Aldus Louis.
Er volgde een tocht door het inwendige van het stadion. Alles blonk. Alles in rood, wit en zalmkleur uitgevoerd. “Het lijkt wel een vier sterrenhotel” riep de groep verbaasd uit. In het perscentrum hingen enige termen aan de wand die trainer Co Adriaanse in zijn AZ-tijd aan het Nederlands toevoegde. Kaaskanjers, snelwegvoetbal, avondvoetballer, scorebordjournalistiek. De supervisor publiekscatering vertelde dat op wedstrijddagen 72 medewerkers vanaf 6.00 uur ’s morgens in touw zijn. Want er gaat 1400 liter koffie doorheen. Het publiek eet ook zomaar 1000 saucijzenbroodjes en 1600 warme worsten weg. En meer van die cijfers.
Meest imposant was de Victoria-kant van het gebouw. Oftewel: zakendoen en businesscatering. Beneden de brasserie, dagelijks geopend voor publiek dat wil lunchen of dineren. Daarboven de Kees Kist-lounge. Er was een congres gaande van 1000 man toen wij op bezoek waren. Daarboven de Georg Kessler-lounge, in de geest van de naamgever een tikje luxer allemaal. Geschikt voor gezelschappen tot 600 man. Voor vergaderingen. Eventueel in combinatie met wedstrijdbezoek. De schuifpui gaat open en we wandelen vanuit de lounge de zittribune op. En nog een verdieping hoger vergaapten wij ons aan de businessunits en de bestuurskamer. Ook hier ging de glazen pui open. De leerlingen moesten de zwartlederen fauteuil van Scheringa op de verwarmde tribune even uitproberen. Tot slot koffie en gebak met AZ-logo in brasserie Alkmaarder Hout. Was elke schooldag maar zo leuk!
Het is maart. De maand van de Boekenweek. De maand van het Boekenbal. De maand ook van het Schager Boekenbal. Ik ontving van Boekhandel Plukker een uitnodiging om evenals vorig jaar als gast naar het tweede Schager Bal te komen. Ik vond dat eervol. En toch heb ik de organisatie laten weten dat ik niet als gast, mogelijk wel als belangstellende op het bal zal zijn. De reden? Het feest komt voor mij te vroeg. Ik vind dat een schrijver die in het licht van de schijnwerpers treedt nieuws te vertellen moet hebben of onlangs met een nieuw werk op de markt gekomen moet zijn.
Ik bedoel, vorig jaar was het eerste Schager Boekenbal voor mij een mooi moment om en public terug te kijken op het succes van mijn debuut, Het Zwanenwater. Ook kon ik aanstippen dat ik begonnen was met mijn tweede boek en dat ik daar in elke schoolvakantie een hoofdstuk aan toevoeg. Welnu, een jaar na dato kan ik toch niet opnieuw met genoemde items aankomen? Ik zou natuurlijk iets over de inhoud van mijn nieuwe roman kunnen prijsgeven, maar dat doe ik liever niet. Het manuscript moet eerst voltooid en in zijn geheel geaccepteerd door de/een uitgever. Dan pas kom ik er mee naar buiten.
Neemt niet weg, dat we op donderdag 13 maart een heel gezellig schrijversfeestje gaan vieren in Slot Schagen. Een dag na de Paasvee… Zal het publiek in 2008 massaal opkomen? De organisatie heeft in elk geval gehoor gegeven aan de kritieken na de vorige editie en een heuse hoofdact gecontracteerd, cabaretier Rop Janse. Vol verwachting klopt ons hart.
Lekker uit bij AZ. Een mooie slogan. Een slogan die op een doordeweekse dag in de krokusvakantie helemaal opging voor SRC C1. Zij waren lekker uit bij AZ D1. De wedstrijd was een voortvloeisel van de samenwerking tussen AZ en een aantal regionale amateurclubs, waarvan SRC er één is. De C1 dus lekker uit bij AZ. De jongens van GroenWit werden vorstelijk ontvangen bij de jeugdopleiding van de Alkmaarders op sportpark ’t Lood. Een luxe onderkomen met alles erop en eraan. De jongens vertelden later kwijlend van het pluche in de kantine, de studiezaal met begeleiding voor de AZ-ers, het fitnesscentrum, de spelcomputers in de recreatieruimte. Verblind door de glamour vergaten ze bijna de riante, fraai betegelde kleedkamers te noemen met wel zes superdouches. En waar de pakken met Gatorade op de mannen stonden te wachten.
Hoe schril kan een contrast zijn? Zo royaal als AZ de spelers ontving, zo bekaaid kwamen de chauffeurs en verdere aanhang van SRC er vanaf. De supporters uit Schagen moesten nog anderhalf uur overbruggen tot de aanvang van de wedstrijd. Zij meenden zich binnen te laven aan heerlijke koffie. Buiten stond een gemene, ijskoude wind dwars over het complex. Echter, de toegang tot de fraaie accommodatie op ’t Lood werd ons ruw ontzegd. Zelfs mevrouw Heddes die slechts voor een plas naar binnen wipte werd door een suppoost weer naar buiten gebonjourd. Ik maakte de roodwitte functionaris er nog op attent dat het hier om de plas van de vrouw van de wethouder van sport van Schagen ging. Het maakte geen indruk. Dan zie je dat Alkmaar en AZ heel groot zijn geworden en dat Schagen en SRC bescheiden en klein zijn gebleven. Met het klootjesvolk zocht ik een of ander basement van amateurclub Flamingo’s op. In een bedompte kelder schonk goddank een vriendelijke mevrouw bekers koffie voor ons uit.
Overigens was ook de aanhang van de AZ-jeugd veroordeeld tot de kelder van de Flamingo’s. Zo spraken wij aan de ronde tafel de ouders van Johan Kulhan, een speler uit de B1 van AZ. Hun zoon zit al een jaar of zes, zeven bij de club. Ooit was hij lid van BlauwWit. Zonder blikken of blozen vertelden de lui dat zij al die jaren van Amsterdam naar Alkmaar rijden. Johan traint zes keer in de week. Het Schager gezelschap riep ontsteld dat zo’n voetbaltalent een compleet gezin kan ontwrichten. Hetgeen door de Kulhans volledig werd beaamd. Eén van de SRC-ers begon over de familie Hulleman met hun Jim. Afkomstig van SRC. Jaja, zij kenden Jim wel en ook die aardige moeder die bij de slager werkte en vaak kwam kijken. Ook zij waren verbaasd over het aantal mutsen dat Conny paste, maar dat natuurlijk terzijde. De vraag die rees aan het slot van dit mini-integratiedebat was: hoeveel jeugdspelers breken uiteindelijk door? Vader Kulhan hield het op hoogstens twee procent. Een te verwaarlozen aantal dus.
AZ D1 tegen SRC C1 eindigde na een leuke pot voetbal gelijk: 1-1. De les die wij hieruit trekken is dat de jeugd beter bij SRC kan voetballen dan bij AZ. Het kost aanzienlijk minder inspanning, er bestaat minder gevaar voor verscheurde gezinnen en bij SRC breekt vijfentwintig procent door!
