In juni 2005 debuteerde ik als schrijver met Het Zwanenwater. Dat het boek zoveel reacties zou losmaken kon ik op dat moment niet bevroeden. Maar het was geweldig. De enorme publiciteit in de drie noordelijke regio’s van Noord-Holland, te weten de Kop, Noord-Kennemerland en West-Friesland. De alleraardigste mails en brieven die ik mocht ontvangen. Niet te vergeten de honderden keren dat ik op straat en op mijn werk door lezers werd aangeschoten. De positieve verkoopcijfers. Het was een succes. Echt een succes. Het leuke was, dat het succes veel langer aanhield dan in boekenland gebruikelijk schijnt te zijn. Pas in de tweede helft van 2007 veranderde de stroom in druppels, om het zo eens te zeggen. Al gaan er bij Boekhandel Plukker in Schagen nog elke maand enkele exemplaren van Het Zwanenwater over de toonbank, zo verzekerde mij onlangs een vriendelijke winkelassistente.
Logisch dat ik de laatste tijd niet meer de complimenten kreeg van passanten, maar een vraag. En u zult begrijpen, welke vraag: Ben je al bezig met een tweede? En dan luidde het antwoord: Ja. En dat is ook zo. Ik werk heel hard aan mijn tweede boek. Een jaar geleden ben ik eraan begonnen en ik ben al flink opgeschoten. Ik verklap niks over de inhoud. Het zal in elk geval uitkomen bij een andere uitgever. De redactie daarvan heeft de eerste vier hoofdstukken van het nieuwe manuscript inmiddels goedgekeurd. Ik ben gevorderd tot hoofdstuk acht. Voorzover ik het nu kan overzien gaat het geheel twaalf hoofdstukken omvatten. Maar houdt u mij ten goede. Het kan allemaal nog veranderen.
Mijn wens voor 2008: de uitgave van mijn tweede boek. Als dat lukt, dan is het nieuwe jaar voor mij geslaagd. Vanaf deze plek wens ik ook u een gezond en mooi 2008 toe. Misschien kan ik daar met mijn nieuwe roman een klein beetje aan bijdragen.
De Koorzangers Vrouwenhandel, drugstransport en gedwongen prostitutie behoren niet tot het vocabulaire van Gerard Dekker, een brave docent in het middelbaar beroepsonderwijs. Voor zijn ontspanning zingt hij in een koor, zoals veel van zijn collega’s en vrienden. Het koorleven biedt hem een welkome afleiding van de probleemjongeren waar hij overdag mee te maken heeft. Maar met de komst van een jonge sopraan verdwijnt de ontspanning algauw, als blijkt dat zijn lastige pupil Pita haar gewetenloze loverboy is. Lees verder...
Tegenwoordig vertrekt er voor elk jeugdteam dat een uitwedstrijd heeft een karavaan vanaf Groenoord. Een F-team dat naar Anna Paulowna moet, een E-team dat in ’t Veld wordt verwacht. Er rijden gewoon vijf, zes luxe wagens achter elkaar aan. Ik heb dat anders meegemaakt. Tot en met de A-junioren werden wij naar de vijandige accommodaties getransporteerd in een busje. Een oud type Volkswagenbus, om precies te zijn. Laatst las ik dat de vlotbrug bij ’t Zand misschien vervangen zal worden. Automatisch dacht ik toen terug aan zo’n rit met het busje.
Op bewuste zondag vertrok het team nogal laat. Vader Bertus Zut, de vaste begeleider, was zeker wat later uit de kerk dan anders. Hij had het busje opgehaald bij Hielkema op de Beethovenlaan. Op de Markt voor Piet Pann ging het elftal haastig aan boord. Twee jongens naast vader Bertus. Meestal zijn zoon Jacob (privilege) en nog één. Vier op de eerste rij, vier op de tweede rij. En dan moesten er twee of drie in de bagageruimte. Zij kregen een stuk of twaalf voetbaltassen over zich heen gestort, nadat ze dubbel waren gevouwen en de klep was dicht gekletterd. Wij moesten naar Den Helder. Gezien de tijd meende vader Zut er goed aan te doen een shortcut te nemen. We zouden het voor de gelegenheid een shortzut kunnen noemen. Dat betekende: niet over De Stolpen, maar via de Keins en ’t Zand naar de Helderse hufters. Mijn generatie was er één van het oproer. A-junioren, 16 jaar, 17, de leeftijd waarop jongeren praatjes kregen. Tegenwoordig begint dat al in groep 8 van de basisschool. Dit heet: de vooruitgang. Maar dat terzijde.
Het A-juniorenteam kon niet wachten met zelf aan de gang te gaan voor het rijbewijs. Dus werd de rijstijl van vader Bertus kritisch gevolgd. Over die stijl kunnen we kort zijn: gang is alles, boem is ho. In dit licht moet u zien dat met name de jongens achterin de VW-bus de twee kritieke punten op de route met angst en beven tegemoet gingen. De Keins en de vlotbrug. De aanloop naar de spoorwegovergang bij de Keins werd verbaal begeleid vanuit alle kelen:
“Huuuuuuuuuuu……..!!!!!!!!!!!!!!!!!”
Oplopende toonhoogte en toen het talud werd gepasseerd klonk er oerwoedgebrul en ging de complete inhoud van de bus de lucht in. De jongens in de kattenbak maakten kennis met de nokbalken en na hun landing keerden ook de twaalf tassen terug op aarde. Een homerisch gelach vulde de loeihete bus. Daarna vroeg vader Bertus met een blik in de binnenspiegel droog:
“Gaat het, jongens?”
En hij stak een klein sigaartje van het merk Agio op. Rood bandje. Bij ’t Zand was er een dubbele herhaling van de scène. Menig chauffeur hield in voor de afdaling naar het vlot en ook voor het klimmetje naar de provinciale weg. Vader Bertus gaf gas bij. Niet een beetje gas, hoor. Met loeiende motor en slippende koppeling stoven we de vlotbrug op en af. Wap, wap, bonk, bonk. In feestelijke stemming haalde het gezelschap de Noordkaap waar eindelijk werd afgerekend met de aartsvijand. Als er een moderne brug komt bij ’t Zand vinden ze vast een uitlaat, schokbrekers en andere attributen van een oud VW-busje.
