Het leukste van de uitwedstrijd naar Texel was voor D1 uiteraard de reis. De jongens hadden het er op de training al over gehad. Op de boot zouden ze lekker gaan ‘kloten’. Omdat stoute voornemens negen van de tien keer uitlekken konden de coaches ernstige misdragingen op voorhand voorkomen. Duo Carlo deed voor de afvaart vanuit Den Helder een ferme uitspraak: “Jongens, geen gekloot op de boot.”
Van mijn seniorentijd herinner ik me dat er op het dagje Texel meestal een personeelsprobleem was. Dan was er sprake van bovengemiddeld ziekteverzuim. En dat is bij pupillen van elf en twaalf jaar dus niet zo. Die zijn nog heerlijk enthousiast. Van de veertien knapen stonden er bij het vertrek gewoon dertien te trappelen. Nummer veertien was naar een Open Dag op het Murmellius Gymnasium. In gedachten was ik ook bij hem. Sterker nog, ik kon er de verdere dag niet meer van loskomen. Al beleefde ik de antieke vorming niet op het Murmellius doch op het naburige katholieke Petrus Canisius. Terwijl nr. 14 als een ‘primus inter pares’ naar de kaasstad toog, voeren de groenwitte legeraanvoerders precies in tegenovergestelde richting de vijandelijke cohorten tegemoet, om het eens klassiek te formuleren. Ons vaartuig weerstond de golven op het Marsdiep, maar Aeolus, de god der winden, was de strijders uit Schagen bepaald niet gunstig gezind. De frisse bries aan dek bleek een ongunstig voorteken. Dat tegenspoed het lot van SRC zou zijn bleek eenstemeer toen één onzer bij het voeren van de meeuwen gewond raakte. Als een soort voorbode van de aanvalswoede die later op de dag op het groenwitte leger zou worden botgevierd wierp een Texeler meeuw zich krijsend op het brood dat hopliet Jacco ter hand nam tot versteviging van de eigen constitutie. De gevederde verrader verwondde daarbij onze held. Het hoeft geen betoog dat het indrukwekkende monster in een oogwenk werd doorboord door drie, vier pijlen uit de kokers van enkele dappere Schager boogschutters.
Tijdens het Beleg van Den Burg kwam uit dat de zware overtocht al teveel van de troepen had gevraagd. Laten we maar eerlijk zijn. Het leger van aanvoerder Ali (Dzjenghis) Kahn werd in de pan gehakt. Geen enkel moment was er uitzicht op de overwinning. De onzen mochten slechts dromen van eer en zege. De Texelse burcht werd niet alleen verdedigd door de Texeler Garde. Aan gene zijde streden mee Zeus, Mars, Jupiter, Apollo. Kortom alle Romeinse en Griekse goden verleenden de eilandbewoners op deze rozevingerige dageraad hun uitzonderlijke krachten. Een strategische terugtocht. Tot dat besluit kwamen de Schager strijders, het vaandel van ridder Magnus fier in de lucht. Zij voorzegden:
“Wacht maar tot onze Marc op het Murmellius zit! Dan zullen de goden ons plotseling gunstig gezind zijn. Dan worden bij de Schager Slottoren jelui, schapenhoeders van Texel in de pan gehakt.”

