Wat was ik trots! Mijn zus had verkering met Appie Ploeger. Ria was vijftien. Ab was zestien. Een verkering die nooit meer uitraakte. Wat heet trouw? Wat was ik trots. Ik was een jaar of negen, zoals mijn eigen Timon nu, en ik zat op voetbal bij SRC. Ik speelde nog in de pupillen en hij speelde in het eerste.
Op zondag mocht ik met mijn vader mee kijken bij SRC 1. Maar dan moest ik wel eerst helpen met sjouwen. Er moest een tafeltje naar het voetbalveld aan de Nieuwe Laagzijde en dozen Mars, Nuts en Red Band autodrop. Die ging pa in de rust verkopen. Als familie Kager waren we nog maar net verhuisd van de Regentenstraat naar het Don Bosco-huis. Als de tweede helft bij SRC begon brachten pa en ik gauw de snoepboel naar huis en dan vlug terug naar het veld. Ik vergaapte me daar aan die voetballer, Ab Ploeger, de verkering van mijn zus. Hij kon toveren met een bal. Hij verhief voetbal van kunde tot kunst. En het was voor Ab eens SRC en het bleef voor altijd SRC. Wat heet trouw?
Het zijn mooie jaren geweest, die verkeringstijd van Ria en Ab die zich deels afspeelde in de Molenstraat. In het Don Bosco-huis was beneden elke dag of avond wel wat te doen. Het Don Bosco-huis was immers het patronaat, het katholieke verenigingsgebouw met beneden een zaal, een bar en een toneel. Op Westfriese donderdagen was het een koffiehuis. Wij woonden boven en keken uit over de Molenstraat voor de kerk langs in de richting van de Gedempte Gracht. Ria stond beneden vaak in de bediening en Ab kwam meestal langs. Boven woonden we. Daar keken we in bioscoopopstelling naar de Europacup-wedstrijden van Ajax en Feijenoord. Daar werd geklaverjast. Ab hield van die gezelligheid en hoorde al gauw bij dat grote gezin.
Ab voelde zich rijk met mijn zus. Maar omdat hij een groot sportman was moest Ria hem delen met velen. Met de zaalvoetbalploeg van Scagha onder andere. En met al die supporters. Heel veel mensen hebben van hem genoten. Met bussen vol reden we naar Nederlandse kampioenschappen. Ook vader en moeder Kager waren erbij in Breda, in Rotterdam en ze waren zo trots op hun schoonzoon. Op hun schoonzoons kan ik beter zeggen, want er speelden er wel drie in dat glorieteam. Het waren jaren met een gouden randje. En net als de liefde voor Ria en voor SRC was ook Ab z’n liefde voor Scagha er één voor het leven. Wat heet trouw?
Ab mankeerde eigenlijk nooit wat. Behalve twee keer in het jaar. De ochtend na de Paasvee en de ochtend na de Harddraverij. Maar dan wist hij waar het van kwam. Je bent een Schagenees of je bent het niet. Verder was hij altijd kerngezond.
Tot zo’n tweeëneenhalf jaar geleden. Er klopte al iets niet tijdens de vakantie. Na onderzoek in het ziekenhuis kwam uit, dat het ernstig was. De klap van de diagnose kwam hard aan. Vanaf dat moment, zo beseften wij met zijn allen, ging het niet meer om de jaren in het leven, maar om het leven in de jaren. De kwaliteit-van-leven.
Ab was nog niet van plan direct op te geven. Hij ging de strijd aan. En dat is een heroïsch gevecht geworden. Ab kreeg klap na klap, maar hij wist ook vele slagen te winnen. Hij won tijd en in die kostbare tijd maakte hij belangrijke, mooie dingen mee met zijn gezin.
Begin september vierden we Ab z’n laatste verjaardag. Een prachtig tuinfeest met de twee grote families Ploeger en Kager bijeen. Er liep daar zo’n 60 à 70 man in de Irenestraat. Het was een feest en tevens een afscheid. Want de pijn werd toen al ondraaglijk.
Van de persoon naar de gedachte aan de persoon, dat vraagt tijd. Ab hield van gezelligheid, van blije mensen. Hij was gelukkig in zijn gezin, in zijn werkkring, in de sportverenigingen, in de Schager gemeenschap. Laat de herinnering aan Ab geen trieste zijn vanwege het einde, maar een blije om wie hij was.

